Ga naar de inhoud

Vaste contactmomenten zijn de basis van de JGZ

Binnen de Jeugdgezondheidszorg worden kinderen op vaste momenten op vaste onderdelen onderzocht. Kinderen worden bijvoorbeeld standaard gevolgd in groei, ontwikkeling, horen en zien. Hiermee proberen we aandoeningen vroeg op te sporen en te behandelen.

“Ja” zegt moeder blij. “Het gaat echt veel beter dan de vorige keer!” Ik denk terug aan het laatste consult met dit driejarige meisje. Victoria had toen last van buikpijn en ze at niet goed. Victoria is een klein meisje. Ze was vaak moe, had weinig conditie en vaak ruzie met haar zusje. Moeder is met Victoria ook bij de huisarts geweest, maar deze kon de klachten niet plaatsen. Bij het laatste consult op het consultatiebureau zijn er tijdens een standaard contactmoment een aantal dingen getest die bij elk kind worden getest, zoals de ogen. Bij Victoria was de ogentest net niet voldoende. Hiervoor is ze verwezen naar de orthoptist. “Sinds ze een brilletje heeft is het een ander kind!” zegt moeder. “Victoria heeft veel meer energie, ze heeft minder buikpijn en minder ruzie met haar zusje. Het bleek dat ze hele slechte ogen had. Doordat ze heel erg haar best deed scoorde ze maar net onvoldoende.”. Ik zie een tevreden moeder en een stralend meisje met een hip montuur tegenover me.

Bij een screening kunnen aandoeningen in een vroeg stadium opgespoord worden. Bijvoorbeeld omdat er nog geen klachten zijn. Of er zijn wel klachten, maar deze zijn niet direct te relateren aan een bepaalde aandoening, zoals bij Victoria. Als er geen ogentest had plaats gevonden, had Victoria waarschijnlijk nog steeds met klachten rondgelopen. Wellicht was er niet gedacht aan slechte ogen als oorzaak van de klachten en was Victoria (onterecht) verwezen naar een kinderarts voor haar klachten. Soms hoef je niet eens door te hebben dat een kind slecht ziet. Als een jong kind met één oog goed ziet en met één oog slecht ziet gaan de hersenen het zicht van het slechte oog onderdrukken. Een kind ziet dan minder met het slechte oog, dit wordt ook wel lui oog genoemd. Het kind kijkt dan alleen met het goede oog en daarom hoeft het niet op te vallen dat een kind ook een oog heeft wat slecht ziet. Als een lui oog niet voor de leeftijd van zeven jaar wordt aangepakt kan dit een verminderd zicht/gedeeltelijke blindheid betekenen voor de rest van het leven. 

Kinderen worden als ze zes maanden en vijftien maanden oud zijn bij GGD regio Utrecht onderzocht door een arts op een lui oog. Tussen de drie en vier jaar krijgen kinderen twee keer een ogentest. De eerste keer wordt de ogentest gedaan als een kind drie jaar oud is bij de jeugdarts, de tweede keer als een kind drie jaar en negen maanden oud is bij de jeugdverpleegkundige. In groep 2 krijgen kinderen ook een ogentest op school, uitgevoerd door de doktersassistente. Op dit moment zijn er dus vijf momenten waarop een kind wordt onderzocht op een lui oog. Uit onderzoek blijkt dat als er zes momenten zijn waarop een kind wordt onderzocht op een lui oog 6 op de 1000 kinderen op zevenjarige leeftijd een lui oog heeft. Als er maar één moment is waarop een kind wordt onderzocht op een lui oog heeft 18 van de 1000 kinderen op zevenjarige leeftijd een lui oog. Het blijkt dus dat hoe vaker een ogentest wordt gedaan, hoe kleiner het aantal kinderen dat op zevenjarige leeftijd een lui oog heeft.

Kinderen op vaste momenten zien en op vaste onderdelen onderzoeken is de basis van preventie en van de Jeugdgezondheidszorg. In deze blog schrijf ik alleen over de ogentest. Binnen de vaste contactmomenten is er aandacht voor veel meer onderwerpen. Helaas is er een landelijke trend zichtbaar waarbij er minder vaste contactmomenten worden aangeboden. De gevolgen hiervan zullen wellicht niet meteen zichtbaar zijn, maar zeker wel op langere termijn.

Rosanne van der Lugt