Ga naar de inhoud

Stoer zijn door je onzekerheid te laten zien

Met een petje achterstevoren op zijn hoofd komt de jongen binnen. “Ik hoorde dat ik een gesprek had?”, vraagt hij. Ik bevestig dit en leg uit dat alle leerlingen in klas 2 op het voortgezet onderwijs worden gezien voor een gezondheidscheck. Hij vindt het okay en neemt plaats. Met een onderuit gezakte houding lijkt hij allesbehalve geïnteresseerd in hetgeen wat komen gaat. Pas als ik hem verder uitleg geef en aangeef wat hij er aan zou kunnen hebben, lijkt zijn interesse te groeien. “Oh, ik dacht dat het een soort controle was”, zegt hij. “Deels is dit ook zo, maar het gaat mij er meer om dat jij er wat aan hebt dan dat ik de gegevens krijg die ik nodig heb”, zeg ik. Hij gaat rechter op zitten en begint te vertellen hoe het met hem is. 

We hebben het over de vragenlijst die hij voorafgaand aan het gesprek heeft ingevuld. Hij geeft eerlijk toe dat dat hij deze niet heel serieus heeft genomen. Op de vraag waarom niet geeft hij aan het belang ervan niet in te zien. Ik ga hier niet verder op in, maar besef me dat de uitkomst van de gezondheidscheck waarop alles wel goed lijkt te gaan, wellicht niet helemaal klopt. 

We hebben het over contacten met vrienden, zijn cijfers op school en de relatie met zijn ouders. Al snel wordt mij duidelijk dat deze jongen niet altijd de liefste in de klas is. Ik denk aan zijn stoere voorkomen toen hij de spreekkamer binnenkwam en vraag door naar zijn gedrag. Hij vertelt openlijk dat hij regelmatig in conflict ligt. Zowel met leerlingen in de klas, met de docenten op school als met zijn ouders thuis. Hij zegt dat school hem niet zoveel interesseert en dat hij liever op straat rondhangt met vrienden. Ik laat hem vertellen zonder een oordeel te vellen over zijn gedrag. Dit is niet gemakkelijk, want vragen en zorgen schieten door mij heen. Maar door hem de ruimte te geven om zijn verhaal te doen, creëer ik vertrouwen waardoor ik hem uiteindelijk wil confronteren met zijn gedrag. 

“Het lijkt me niet fijn dat je regelmatig ruzie hebt”, zeg ik. “Ik kan me zo voorstellen dat het je wel eens problemen oplevert die je eigenlijk niet wilt.” De jongen kijkt naar beneden. In plaats van zijn stoere houding zie ik nu een onzekere jongen. Hij denkt na en er valt een stilte. 

Na enige tijd kijkt hij op en zegt hij dat hij soms baalt van zijn eigen gedrag. “Soms doe ik dingen die ik eigenlijk helemaal niet wil doen. Ik voel me soms zo onzeker.” Terwijl hij zijn emoties toont geef ik hem een compliment. Ik bestraf hem niet voor zijn gedrag, maar complimenteer hem voor zijn openheid. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht, schattig en stoer tegelijk.  

In de afronding van het gesprek kijken we samen naar wat nodig is. We maken afspraken die hij bedenkt en ik opschrijf. Niet voor mijzelf, maar voor hem omdat ook dit een idee was van hemzelf. Ik geef hem het papiertje waarop het gedrag staat dat hij wil gaan veranderen en wens hem succes. “Bedankt”, zegt hij, als hij het papiertje met afspraken aanpakt. “Ik wist niet dat ik zoveel aan het gesprek met een jeugdverpleegkundige zou hebben.” 

Annemieke Korver