Ga naar de inhoud

Kan dit geen kwaad dokter?

Het consultatiebureau blijkt voor ouders in Nederland net zo vertrouwd als boerenkool met worst of het sparen van zegeltjes. “Ik vind het gewoon fijn om even te horen dat het goed gaat met mijn kind”. Luisteren en geruststellen zijn een belangrijk deel van mijn werk als jeugdarts. Misschien wel het deel waar ouders het meest blij van worden. Immers: geruststellen is ook dokteren!  

“Wat doe je voor werk?”
“Ik ben jeugdarts.”
“Dat is hetzelfde als kinderarts?”
“Niet helemaal.”
“Wat is het verschil?”
“Een kinderarts behandelt zieke kinderen. En ik zie kinderen van tijd tot tijd op een gewone dag in hun leven. Dan kijk ik samen met ouders naar hun groei en ontwikkeling.”
“O…” (Licht glazige blik. Heeft dat iets met dokteren te maken?)
“Ik werk op het consultatiebureau en geef vaccinaties”
“Aha, het consultatiebureau! Dat ken ik wel. Toen ík met mijn dochter op het consultatiebureau kwam…” (Er volgt een verhaal).

Als arts in het ziekenhuis heb ik het nooit zo beseft. Maar het consultatiebureau is voor ouders in Nederland net zo vertrouwd als boerenkool met worst of het sparen van zegeltjes. “Ik vind het gewoon fijn om even te horen dat het goed gaat met mijn kind” vertelt mijn schoonzus. Zelfs mijn 90-jarige oma laat me trots de groeikaartjes zien van haar drie kinderen – ongelofelijk dat ze die al die tijd bewaard heeft! Ik ben zelf geen moeder, dus ik ken alleen míjn kant van de spreekkamer. En die kant verveelt geen moment.

Vandaag zie ik Max van 6 maanden, die me trakteert op een brede lach. Te klein geboren, maar hij groeit als kool. “Het is een heerlijk kind,” vertelt zijn moeder “maar hij spuugt zoveel. Kan dat geen kwaad?” Ik stel wat vragen en kijk Max na, terwijl hij zijn uiterste best doet om mijn stethoscoop te pakken te krijgen. “Niets aan de hand, daar groeit hij wel overheen. En hij ontwikkelt zich prachtig!” Moeder kijkt tevreden naar haar zoon.

Sofia van 3 komt haar ogentest herhalen. Vorige keer haakte ze al snel af, dit keer houdt ze dapper vol. Maar de laatste regel lukt niet. “Wat heb jij goed je best gedaan! Dat mag je ook een keer aan de ogendokter laten zien.” Ik geef Sofia een high-five en haar vader een verwijsbrief. “Ik had nog een vraag,” zegt vader, terwijl Sofia de deur al uit huppelt. “Ze loopt met haar tenen naar binnen. Is dat normaal?” “Jazeker, op deze leeftijd is de bouw van het heupgewricht anders. Daardoor draaien de benen naar binnen. Dat groeit vanzelf recht.” “Top, dank je wel!”

Arav is een verlegen peuter die zich aan zijn moeder vastklampt en geen woord zegt. “Thuis kletst hij de oren van je hoofd” vertelt zijn moeder. Ze heeft veel vragen: “Groeit hij goed? Wat zijn dat voor plekken op zijn huid? En die bobbeltjes in zijn hals?” Hij is klein en erg tenger, maar zijn ouders – van Surinaams Hindoestaanse afkomst – zijn dat ook. “Zolang hij zijn eigen lijn blijft volgen is het goed” wijs ik aan. Ik zie eczeemplekken op zijn armen en benen en leg uit wat moeder eraan kan doen. “Nu ga ik even in je nek kriebelen, Arav.” De bobbeltjes zijn normale lymfklieren. “Goed opgemerkt, maar deze klieren horen hier gewoon.” Opgelucht verlaat moeder de spreekkamer.

Luisteren en geruststellen zijn een belangrijk deel van mijn werk. Misschien wel het deel waar ouders het meest blij van worden. Geruststellen is ook dokteren!

Alle namen zijn verzonnen. De verhalen zijn gebaseerd op de praktijk, maar zodanig veranderd dat herkenning is uitgesloten.

Wilma Hüpscher