Ga naar de inhoud

Taal tussen 2 en 3 jaar

In deze fase kunt u al goed met uw peuter praten. Peuters gaan steeds duidelijker praten, hun zinnen worden langer en ze gaan begrippen gebruiken.

Woorden en zinnen leren gebruiken

Tweejarigen gebruiken tussen de 50 en 600 woorden. Ieder kind heeft een eigen tempo. Tussen de 2 en 2,5 jaar gebruiken kinderen ‘driewoordzinnen’. Hierbij is de volgorde van de woorden van belang. ‘Eva wil soep’ betekent iets anders dan: ‘Wil Eva soep?’

Op deze leeftijd gaan kinderen ook meervoudsvormen (poes – poezen), verkleinwoordjes (meisje) en voorzetsels (op, in, naar) gebruiken, en werkwoorden vervoegen: ‘ik wandel’ en ‘ik wandelde’. Kinderen passen dus al taalregels toe, maar nog wel vaak verkeerd. Peuters zeggen bijvoorbeeld ‘ik klimde’ in plaats van ‘ik klom’ en ‘koeis’ in plaats van ‘koeien’.

Begrippen leren

Uw kind leert eerst woorden voor concrete dingen, maar vanaf 2 jaar gaat het ook begrippen gebruiken. Hierbij gaat het om eigenschappen van dingen, mensen of dieren, bijvoorbeeld hoe een ding eruitziet (groot, klein) of hoe het voelt (zacht, hard), of over gevoelens (lief). Begrippen zijn lastig voor kinderen. Ze hangen vaak met de situatie samen.